Met Fysiotherapiewetenschap kom je nog eens ergens – het verhaal van Teddy Oosterhuis

Column-Contest-2010Door: Teddy Oosterhuis PhD

Eind 2005, een flyer in de Beweegreden, vakblad voor oefentherapeuten, over de opleiding Fysiotherapiewetenschap. De studie leek interessant omdat ik al tijden op zoek was naar een betere onderbouwing van het vak. Na een kennismakingsgesprek en meeloopdag in het voorjaar van 2006 startte ik in september van dat jaar met de premaster. Drie jaar, vele inspirerende vrijdagen, en een afstudeerstage bij het National Ageing Research Institute in Melbourne later, heb ik de master afgerond. Enkele maanden nadat ik was afgestudeerd, begon ik naast mijn werk als oefentherapeut als junior onderzoeker bij het NIVEL. Hier ontwikkelde ik een vragenlijst om het perspectief van patiënten te meten op de kwaliteit van zorg, de zogenaamde CQ Index, voor mensen met chronisch hartfalen. Daarna werkte ik mee aan de CQ Index hoortoestellen en voerde ik de analyses uit voor de CQ Index reumatische aandoeningen.

In 2011 kon ik beginnen met een promotieonderzoek op het gebied van oefentherapie, bij het EMGO Instituut, afdeling Gezondheidswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Het ging om een full-time aanstelling als AIO (assistent in opleiding, ofwel promovendus). Ik heb de knoop doorgehakt en ben gestopt met mijn praktijk, die ik in 1995 was begonnen. Het onderzoek betrof onder andere een RCT en economische evaluatie van revalideren na een lumbale herniaoperatie, het REALISE onderzoek. Mijn promotoren waren Raymond Ostelo en Maurits van Tulder. Ik had artikelen van hen beiden gebruikt als referenties voor mijn systematische review in het eerste masterjaar over therapietrouw bij oefenprogramma’s voor lage rugklachten, en nu kreeg ik de kans veel van ze te leren over epidemiologisch onderzoek. De REALISE trial is opgezet in samenwerking met het LUMC, waar de derde promotor vandaan kwam, Wilco Peul. Samen met een team van research verpleegkundigen van het LUMC voerden we de RCT uit in tien ziekenhuizen in Noord- en Zuid-Holland. De neurochirurgen vroegen patiënten die in aanmerking kwamen voor een lumbale herniaoperatie om deel te nemen aan het REALISE onderzoek. Dat betekende heen en weer reizen tussen de VU, het LUMC en de tien ziekenhuizen, om contact te houden met vooral de neurochirurgen en poliklinieken maar ook de fysiotherapeuten en verpleegkundigen. De behandeling werd gegeven door fysio- en oefentherapeuten in de verzorgingsgebieden van de ziekenhuizen, en dat leidde tot een netwerk van uiteindelijk ruim 200 eerstelijns praktijken. Naast deze trial heb ik nog twee Cochrane reviews geschreven: een update van de review over revalideren na een lumbale herniaoperatie, en een over oefentherapie bij acute lage rugklachten. Ondertussen werd een artikel gepubliceerd gebaseerd op mijn FW afstudeeronderzoek. Vanwege mijn belangstelling voor therapietrouw heb ik nog twee onderzoeken opgezet over dit onderwerp. De bedoeling was een secundaire data-analyse te doen van een elders uitgevoerde trial. Helaas bleek de dataset niet compleet waardoor de geplande analyses niet mogelijk waren. Daarom werd dit project afgeblazen. Een tweede project ging wel door: een kwalitatieve studie op basis van individuele interviews onder deelnemers van de interventiegroep van de REALISE trial. Ik heb de deelnemers gevraagd naar hun ervaringen met de interventie. Daarbij ging het vooral over de belemmerende en bevorderende factoren ten aanzien van het thuis doen van oefeningen en volgen van adviezen over onder andere het geleidelijk uitbreiden van dagelijkse activiteiten.

Tijdens mijn promotieonderzoek heb ik de opleiding tot epidemioloog afgerond, dat betekent dat ik grotendeels de master epidemiologie (EpidM) van het VUmc heb gevolgd. Deze master was voor mij deels een herhaling van FW, en een aanvulling op de al bekende statistiek. Er was veel aandacht voor regressieanalyse en als keuzevakken volgde ik onder andere de cursussen multilevelanalyse en kosteneffectiviteitsanalyse. Als AIO heb ik ook presentaties gegeven op diverse buitenlandse congressen. Het International Forum on Back Pain Research in Primary Care, later omgedoopt tot het International Back & Neck Pain Forum, was hét congres voor mijn onderzoeksgebied. Tijdens de editie in Odense, Denemarken, had ik een poster over het design van de REALISE trial. In Campos do Jordão, Brazilië, presenteerde ik de review over revalideren na een herniaoperatie en op een Cochrane meeting aldaar de voortgang van de review over acute lage rugklachten. In Buxton, Engeland, een poster over diezelfde review en een presentatie over de resultaten van de REALISE trial en economische evaluatie.

Vervolgens werkte ik als post-doc bij het Coronel Instituut voor arbeid en gezondheid van het AMC, in Amsterdam. Ondertussen rondde ik mijn proefschrift af. Bij het Coronel Instituut voerde ik diverse reviews uit, allemaal over het lumbosacraal radiculair syndroom. Onder andere over de effectiviteit van interventies ten aanzien van werkparticipatie en prognostische factoren voor terugkeer naar werk. Na het afronden van de post-doc was het dan tijd voor de verdediging van mijn proefschrift en promotie. En behalve dat ik, als FW-er, op het podium stond, was daar ook Cindy Veenhof, hoogleraar Fysiotherapiewetenschap, aanwezig als een van de opponenten.

Een paar uur na de promotie vertrok ik naar Melbourne. Na 8 jaar was ik terug in de stad waar ik mijn afstudeerstage had gedaan! Daar presenteerde ik op een congres de kwalitatieve studie, de laatste studie van mijn promotietraject. Verder had ik overleggen bij het Australian Institute of Musculoskeletal Science en bij Monash University over mogelijkheden om samen te werken, en gaf ik een presentatie over het REALISE onderzoek voor fysiotherapeuten in het ziekenhuis van Austin Health. Ook bezocht ik een oud-collega van mijn afstudeerstage bij het Florey Institute of Neuroscience and Mental Health. Daar ontmoette ik ook Sharon Kramer, FW-er, en werkzaam als promovendus bij the Florey. Na thuiskomst ben ik begonnen met mijn nieuwe baan als literatuuronderzoeker bij de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde, waar ik werk aan de ontwikkeling van richtlijnen. Dat betekent dus wederom het uitvoeren van systematische reviews. De zoveelste, na die eerste review in masterjaar 1.

Proefschrift beschikbaar via dare.ubvu.vu.nl/handle/1871/54632

Peer-reviewed publicaties

  1. Rubinstein SM, van Eekelen R, Oosterhuis T, de Boer MR, Ostelo RW, van Tulder MW. The Risk of Bias and Sample Size of Trials of Spinal Manipulative Therapy for Low Back and Neck Pain: Analysis and Recommendations. J Manipulative Physiol Ther. 2014 Sep 3. pii: S0161-4754(14)00123-7
  2. Oosterhuis T, Costa LO, Maher CG, de Vet HC, van Tulder MW, Ostelo RW. Rehabilitation after lumbar disc surgery. Cochrane Database Syst Rev. 2014 Mar 14;3:CD003007
  3. Russell M, Hill K, Day L, Oosterhuis T, Blackberry I, Dharmage SC. Predictors of long-term function in older community-dwelling people who have presented to an emergency department after a fall: A cohort study. Australas J Ageing. 2014 Jan 2.
  4. Oosterhuis T, van Tulder M, Peul W, Bosmans J, Vleggeert-Lankamp C, Smakman L, Arts M, Ostelo R. Effectiveness and cost-effectiveness of rehabilitation after lumbar disc surgery (REALISE): design of a randomised controlled trial. BMC Musculoskelet Disord. 2013 Apr 5;14:124

Nederlandse publicaties

  1. Oosterhuis T. Revalidatie na een lumbale herniaoperatie. Oefentherapie pas na onvoldoende herstel. Fysiopraxis, 2016 Nov:34-35
  2. Oosterhuis T, Delnoij DMJ, Kortenhoeven PJ, Sibma TS, Geurts MAW, Jansen TLTA, Linssen A, Rademakers JJDJM. De CQ-index reumatische aandoeningen: hanteerbaar en geschikt voor visitatie? Nederlands Tijdschrift voor Reumatologie, 15(2011)2:38-44.

Conference proceedings

  1. Oosterhuis T, Westerman J, Suman A, Ostelo RW, van Tulder MW. Exercise regimens and physical activity after lumbar discectomy: Facilitators and barriers. J Sci Med Sport. 2017;20:e14
  2. Oosterhuis T, Costa LO, Maher CG, de Vet HC, van Tulder MW, Ostelo RW. Rehabilitation after lumbar disc surgery – an update Cochrane review. Physiotherapy. 2015;101 (Suppl 1):e1158-59

Overige publicaties

  1. Oosterhuis T, Smaardijk V, Kuijer P, Hoving J, Frings-Dresen M. Wetenschappelijke kenns en inzichten lumbosacraal radiculair syndroom. Amsterdam: Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, AMC; 2016
  2. Oosterhuis T, Triemstra M, Rademakers J. CQ-index Hartfalen: meetinstrumentontwikkeling. Ervaringen met de kwaliteit van zorg vanuit het perspectief van mensen met chronisch hartfalen. Utrecht: NIVEL; 2010.
  3. Booij JC, Sibma T, Oosterhuis T, van der Hoek LS, Rademakers J, Hendriks M, Delnoij D, van Lynden A. CQ-index hoortoestellen 2010: psychometrische eigenschappen en het discriminerend vermogen. Utrecht: NIVEL; 2011

Fysiotherapiewetenschapper promoveert in Australië

Door: Alexander TM van de Water  Column-Contest-2010

De opleiding Gezondheidswetenschappen met afstudeerrichting Fysiotherapiewetenschap gaf mij het inzicht in wat wetenschappelijk onderzoek binnen de Fysiotherapie inhoud, en bood (in)direct de mogelijkheid om een promotietraject te starten in het buitenland. Om precies te zijn: aan La Trobe University in Melbourne, Australia.

Tijdens de Master FW (2007-2009) had ik al ervaring op mogen doen met het opzetten en uitvoeren van fysiotherapeutisch onderzoek in het buitenland (University College Dublin, Ireland) en met het publiceren van mijn onderzoeksprojecten in internationale tijdschriften. Ik was toen al een mooie, buitenlandse uitdaging aangegaan, en kwam met zwaar Iers accent terug naar Nederland om mijn eindpresentatie te verzorgen. Weer in Nederland en praktiserende in de particuliere praktijk, bleef onderzoek doen en het buitenland mij prikkelen. Ongeveer een jaar later ging ik een volgende uitdaging aan, en begon ik in maart 2010 als student in Melbourne mijn PhD onder begeleiding van Prof. dr. Nicholas Taylor.

De mogelijkheid om een PhD te doen aan La Trobe University kwam doordat er een ‘scholarship’ systeem is in Australia (net als andere anglosaxische landen) – niet voor niets ‘the new Land of Opportunities’. Doordat ik zelf mijn (later) promotor had benaderd met een onderzoeksidee dat gerelateerd was aan één van zijn onderzoeksinteresses (orthopedische revalidatie), adviseerde hij mij een aanvraag in te dienen voor o.a. de LTU Postgraduate Research Scholarship. Een aantal maanden later kreeg ik positief bericht over mijn aanvraag en stond de weg naar een promotie in Australia voor mij open. Dat ik deze scholarship – als buitenlander – had ‘gewonnen’ (zoals ze daar zeggen) samen met een andere scholarship die de hoge collegegelden dekten, wijd ik aan het feit dat ik onderzoeks- en buitenlandervaring had opgedaan op goed niveau tijdens mijn Master FW en doorzettingsvermogen.

Mijn PhD begon met het idee richting te willen geven aan conservatieve en post-operatieve revalidatie voor mensen die hun proximale humerus hebben gebroken. Hier was – en is – te weinig klinisch relevante wetenschappelijke informatie over; vaak doen we wat gebaseerd op (klinisch) gevoel (en soms beginnen we de revalidatie al te forcerend). Na een eerste literatuur review (1) en klinisch onderzoek (2) naar een goed meetinstrument dat we zouden kunnen gebruiken voor de verdere klinische onderzoeken, kon ik eigenlijk niet verder: een goed meetinstrument voor mensen met schouderproblemen en specifiek voor mensen met schouderfractuur bestond niet. Na enige overpeinzingen en goed overleg met mijn zeer betrokken promotor (ik had het erg getroffen met Nick Taylor), hebben we besloten mijn PhD ‘om te gooien’ en een meetinstrument te ontwikkelen met behulp van Rasch analyse zodat we dat instrument wel zouden kunnen gebruiken: de Shoulder Function Index (SFInX) (3, 4, 5).

De SFInX is een ‘clinician-observed outcome measure’ van activiteiten, wat betekent dat wij als fysiotherapeut de patiënt vragen activiteiten uit te voeren en deze uitvoering beoordelen. Activiteiten zoals de lage rug wassen, een voorwerp op een plank leggen, het dragen van een tas worden gevraagd om uit te voeren. Een meting kan simpelweg in enkele minuten tijdens een behandelsessie. We hebben dit meetinstrument ontwikkeld op basis van bestaande meetinstrumenten, literatuur en inbreng van patiënten en professionals die betrokken zijn bij de revalidatie van deze patiënten (4). Na het klinisch testen van de activiteiten heb ik vele analyses voor psychometrische eigenschappen kunnen doen, inclusief Rasch analyse (4, 5). Dit is een vorm van analyse aan de hand van een probalistisch logistisch model voor categorische data, het ‘Rasch model’ (6). Met deze vorm van analyse krijg je veel meer informatie over het construct dat je beoogt te meten (ook op item- én persoonsniveau) in vergelijking met andere types van analyse. Je ziet bijvoorbeeld hoe moeilijk de activiteiten ten opzichte van elkaar zijn, en hoe personen zich verhouden ten opzichte van elkaar en van de activiteiten (6). Het is tevens de enige mogelijkheid om een werkelijk interval-niveau meetinstrument vanuit categorische data te ontwikkelen of te testen en aan te passen wanneer nodig (de meeste vragenlijsten waarbij we simpelweg punten optellen zijn dit dus niet!) (6). Uit de analyses bleek ook dat de SFInX een goed meetinstrument is om het functioneren met de aangedane arm van een persoon na een schouderfractuur in kaart te brengen (4, 5). Beter dan andere meetinstrumenten, die op betrouwbaarheid, structuur en construct validiteit en responsiviteit minder bleken te scoren (2, 4, 5).

Aan het einde van mijn PhD was ik dus eigenlijk waar ik wilde beginnen: richting geven aan conservatieve en post-operatieve revalidatie voor mensen die hun proximale humerus hebben gebroken. Vervolgprojecten in deze patiëntengroep zijn daarom ook gaande. Inmiddels wordt de Nederlandstalige SFInX-NL gevalideerd in samenwerking met Saxion Hogeschool en het Medisch Spectrum Twente in een algemene populatie van mensen met limiterende schouderklachten, waaronder mensen met een frozen shoulder, rotator cuff problematiek of tijdens post-operatieve revalidatie. Daarnaast wordt de SFInX in andere talen vertaald. Implementatie van nieuwe meetinstrumenten is vaak langdurig en niet gemakkelijk. Het gebruik van de SFInX in de dagelijkse praktijk en als meetinstrument in wetenschappelijke onderzoeken moet dan ook nog verder gestimuleerd worden. Zoals ik tijdens mijn PhD van collega’s al hoorde: “na de promotie is er altijd (veel) werk te doen”. Maar… het geeft ook prachtige mogelijkheden op vele gebieden binnen (en buiten) de Fysiotherapie.

Publicaties:

Thesis via http://hdl.handle.net/1959.9/531678

  1. van de Water AT, Shields N, Taylor NF. Outcome measures in the management of proximal humeral fractures: a systematic review of their use and psychometric properties. J Shoulder Elbow Surg. 2011;20(2):333-43. doi: 10.1016/j.jse.2010.10.028
  2. van de Water AT, Shields N, Davidson M, Evans M, Taylor NF. Reliability and validity of shoulder function outcome measures in people with a proximal humeral fracture. Disabil Rehabil. 2014;36(13):1072-9. doi: 10.3109/09638288.2013.829529.
  3. https://sfinx.blogs.latrobe.edu.au/
  4. van de Water AT, Davidson M, Shields N, Evans MC, Taylor NF. The Shoulder Function Index (SFInX): a clinician-observed outcome measure for people with a proximal humeral fracture. BMC Musculoskelet Disord. 2015;16:31. doi: 10.1186/s12891-015-0481-x
  5. van de Water AT, Davidson M, Shields N, Evans MC, Taylor NF. The Shoulder Function Index (SFInX): evaluation of its measurement properties in people recovering from a proximal humeral fracture. BMC Musculoskelet Disord. 2016;17:295. doi: 10.1186/s12891-016-1138-0
  6. voor meer informatie, zie bijvoorbeeld:
  • Wright BD. Fundamental measurement for outcome evaluation. Physical Medicine and Rehabilitation 1997;11: 261-288 (ook beschikbaar via rasch.org/memo66.htm)
  • Bond TG, Fox CM. Applying the Rasch Model – Fundamental Measurement in the Human Sciences 2007 (2nd edn). New York: Routledge.