Promotieonderzoek Fysiotherapiewetenschapper: een “oude” elektrische interventie wordt nieuw leven ingeblazen

Door: Maurice M.J. Sillen PhD
Fysiotherapeut en coördinator netwerk
CIRO, expertisecentrum voor chronisch orgaanfalen, Horn
Proefschrift: Neuromuscular electrical stimulation in dyspneic COPD patients: a new training modality

In 1992 heb ik mijn studie Fysiotherapie afgerond in Heerlen. In de periode dat ik studeerde was er nog weinig wetenschappelijke onderbouwing van dit vakgebied. Tijdens de studie werd me geleerd dat een fysiotherapeut drie middelen ter beschikking heeft: de bewegingstherapie, massagetherapie en de fysische therapie in engere zin (bv. ultrageluid, lasertherapie, diverse elektrische stroomvormen). Veel interventies waren authority-based of werden uitgevoerd op basis van trial and error. De eerste KNGF richtlijn verscheen in 1993 en betrof de “Fysiotherapeutische verslaglegging” met als doel een leidraad te bieden bij het methodisch fysiotherapeutisch handelen en het registreren van relevante gegevens. De fysiotherapie onderging grote veranderingen in de 90-er jaren. Na een negatief rapport van de Nederlandse Gezondheidsraad werden verscheidene fysiotherapeutische interventies niet meer gedoceerd en toegepast, zoals diverse stroomvormen en lasertherapie.

Nadat ik 7,5 jaar in een particuliere praktijk had gewerkt, vervolgde ik mijn carrière in CIRO Horn, een expertisecentrum voor chronisch orgaanfalen, het voormalige Astmacentrum Hornerheide. Dit is een derdelijns longcentrum waar revalidatie plaatsvindt bij patiënten met chronische orgaanaandoeningen, voornamelijk patiënten met COPD en chronisch hartfalen. In dit centrum raakte ik geïnteresseerd in de wetenschappelijke kant van ons vakgebied. Nadat ik de eerste module “Scholing in wetenschap“ van het NPi had gevolgd schreef ik me in voor de tweede module. Helaas waren er te weinig inschrijvingen en de tweede module werd geannuleerd. Vanuit CIRO werd me, na het Europese Longcongres in 2005 bezocht te hebben, de mogelijkheid geboden om een masteropleiding te volgen. Na me georiënteerd te hebben koos ik voor de masteropleiding Fysiotherapiewetenschap (FW) in Utrecht. Tijdens deze masteropleiding (2006-2009) heb ik me verdiept in het onderwerp “Neuromusculaire elektrostimulatie (NMES) bij patiënten met COPD”. Reeds tijdens de opleiding werd mijn eerste wetenschappelijk artikel gepubliceerd in een peer-reviewed medisch tijdschrift (Respiratory Medicine, 2008). Het betrof een studie waarin ik de ventilatie en zuurstofopname heb gemeten met behulp van een mobiele oxycon tijdens NMES en spierkrachttraining. Het was heel mooi om te zien dat het artikel uiteindelijk, na peer-review, werd gepubliceerd in het format van het tijdschrift. Dit gaf een extra motivatie voor de studie en om meer te gaan publiceren. Vervolgens stroomde ik door in een promotietraject. De directeur van CIRO prof. Wouters, hoogleraar Longziekten aan de Universiteit van Maastricht, werd mijn promotor. De belangrijkste studie tijdens mijn promotie betrof een gerandomiseerde effectstudie naar de effecten van NMES bij patiënten met COPD. NMES leidde tot vergelijkbare positieve effecten als perifere spierkrachttraining op perifere spierkracht, inspanningsvermogen en kwaliteit van leven. Bovendien bleek de belasting op het cardiorespiratoire systeem gering te zijn, wat het aannemelijk maakte dat deze interventie goed toepasbaar is bij ernstig beperkte patiënten met COPD. Er volgden publicaties in mooie wetenschappelijke tijdschriften en er was aandacht vanuit de media. In de Telegraaf en De Limburger kwamen ook artikelen waarop een grote respons volgde. In 2014 vond de promotie plaats in Maastricht.

Tijdens mijn promotieonderzoek en de jaren erna heb ik veel lezingen en colleges aan hogescholen fysiotherapie gegeven. Het is goed te zien dat NMES, een “oude“ fysiotherapeutische interventie, weer terugkeert binnen het vakgebied. Het maakt deel uit  van (inter)nationale richtlijnen van de fysiotherapeutische behandeling van patiënten met COPD. Bovendien is het ook weer een onderdeel van het curriculum aan verschillende hogescholen fysiotherapie.

De opleiding FW en het promotieonderzoek hebben mij veel gebracht. De blik op het vakgebied is kritischer geworden en ik maak deel uit van onderzoeksprojecten. Daarnaast leid en implementeer ik (multidisciplinaire) verbeterprojecten, organiseer ik symposia en ben betrokken bij hogescholen fysiotherapie als extern adviseur bij eindscripties en als gastdocent. In CIRO Horn ben ik verantwoordelijk geworden voor de afdeling Fysiotherapie en inhoudelijk voor het netwerk. De studie FW en het daaropvolgende promotieonderzoek hebben mij ontzettend veel mogelijkheden geboden en het is leuk om van meerdere kanten actief te kunnen zijn in dit mooie vakgebied.

Publicaties

Sillen MJ, Janssen PP, Akkermans MA, Wouters EF, Spruit MA. The metabolic response during resistance training and neuromuscular electrical stimulation (NMES) in patients with COPD, a pilot study. Respir Med 2008 May;102(5):786-789

Sillen MJ, Speksnijder CM, Eterman RM, Janssen PP, Wagers SS, Wouters EF, Uszko-Lencer HM, Spruit MA. Effects of neuromuscular electrical stimulation of muscles of ambulation in patients with chronic heart failure or COPD: A systematic review of the English-language Literature. Chest 2009 Apr; 136(4):44-61

Sillen MJ, Wouters EF, Franssen FME, Spruit MA. Resistance training and neuromuscular electrical stimulation during acute exacerbations of chronic obstructive pulmonary disease. Int J Respir Care 2009 May; 5(1): 14-16

Sillen MJ, Vaes AW, Franssen FME, Wouters EF, Spruit MA. Trainingsstrategieën in revalidatieprogramma’s bij patiënten met COPD. In Jaarboek Fysiotherapie Kinesitherapie 2011:123-133

Sillen MJ, Wouters EF, Franssen FM, Meijer K, Stakenborg KH, Spruit MA. Oxygen uptake, ventilation, and symptoms during low-frequency versus high-frequency NMES in COPD: a pilot study. Lung 2011 Feb; 189(1):21-26

Akkermans MA, Sillen MJ, Wouters EF, Spruit MA. Validation of the oxycon mobile metabolic system in healthy subjects. Journal of Sports Science and Medicine 2012 March; 11(1):182–183

Sillen MJ, Vercoulen JH, van ’t Hul AJ, Klijn PH, Wouters EF, van Ranst D, Peters JB, van Keimpema AR, Franssen FM, Otten HJ, Molema J, Jansen JJ, Spruit MA. Inaccuracy of estimating peak work rate from six-minute walk distance in patients with COPD. COPD 2012 Jun;9(3):281-8. Epub 2012 Feb 23

Sillen MJ, Vercoulen JH, van ’t Hul AJ, Klijn PH, Wouters EF, van Ranst D, Peters JB, van Keimpema AR, Franssen FM, Otten HJ, Molema J, Jansen JJ, Spruit MA. The use of regression equations to estimate peak work rate in people with COPD -Reply from the authors. COPD. 2013 Feb;10(1):120-1. Epub 2012 Dec 28

Sillen MJ, Franssen FME, Delbressine JML, Uszko-Lencer NHMK, Vanfleteren LEGW, Rutten EPA, Wouters EF, Spruit MA. Heterogeneity in clinical characteristics and co-morbidities in dyspneic individuals with COPD GOLD D: Findings of the DICES trial. Respir Med 2013 Respir Med. 2013 Aug;107(8):1186-94. Epub 2013 May 22

Spruit MA, Sillen MJ, Groenen MT, Wouters EF, Franssen FM. New Normative Values for Handgrip Strength: Results From the UK Biobank. J Am Med Dir Assoc. 2013 Aug 16. Epub 2013 June 13

Sillen MJ, Franssen FM, Gosker HR, Wouters EF, Spruit MA. Metabolic and structural changes in lower-limb skeletal muscle following neuromuscular electrical stimulation: a systematic review. PLoS One 2013 Sept;8(9): e69391

Sillen MJ, Franssen FME, Delbressine JML, Vaes AW, Wouters EF, Spruit MA. Efficacy of lower-limb muscle training modalities in dyspneic individuals with chronic obstructive pulmonary disease: results from the DICES trial. Thorax, 2014 Jun;69(6):525-31

Sillen MJ, Franssen FME, Delbressine JML, Vaes AW, Wouters EF, Spruit MA. Efficacy of lower-limb muscle training modalities in dyspneic individuals with chronic obstructive pulmonary disease: response from the authors. Thorax. 2014 Jun 13. pii: thoraxjnl-2014-205781

Sillen MJ, Franssen FME, Vaes AW, Delbressine JML, Wouters EF, Spruit MA. Metabolic load during strength training or NMES in individuals with COPD: results from the DICES trial. BMC Pulmonary Medicine 2014, 14 :146 (2 September 2014)

Met Fysiotherapiewetenschap kom je nog eens ergens – het verhaal van Teddy Oosterhuis

Column-Contest-2010Door: Teddy Oosterhuis PhD

Eind 2005, een flyer in de Beweegreden, vakblad voor oefentherapeuten, over de opleiding Fysiotherapiewetenschap. De studie leek interessant omdat ik al tijden op zoek was naar een betere onderbouwing van het vak. Na een kennismakingsgesprek en meeloopdag in het voorjaar van 2006 startte ik in september van dat jaar met de premaster. Drie jaar, vele inspirerende vrijdagen, en een afstudeerstage bij het National Ageing Research Institute in Melbourne later, heb ik de master afgerond. Enkele maanden nadat ik was afgestudeerd, begon ik naast mijn werk als oefentherapeut als junior onderzoeker bij het NIVEL. Hier ontwikkelde ik een vragenlijst om het perspectief van patiënten te meten op de kwaliteit van zorg, de zogenaamde CQ Index, voor mensen met chronisch hartfalen. Daarna werkte ik mee aan de CQ Index hoortoestellen en voerde ik de analyses uit voor de CQ Index reumatische aandoeningen.

In 2011 kon ik beginnen met een promotieonderzoek op het gebied van oefentherapie, bij het EMGO Instituut, afdeling Gezondheidswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Het ging om een full-time aanstelling als AIO (assistent in opleiding, ofwel promovendus). Ik heb de knoop doorgehakt en ben gestopt met mijn praktijk, die ik in 1995 was begonnen. Het onderzoek betrof onder andere een RCT en economische evaluatie van revalideren na een lumbale herniaoperatie, het REALISE onderzoek. Mijn promotoren waren Raymond Ostelo en Maurits van Tulder. Ik had artikelen van hen beiden gebruikt als referenties voor mijn systematische review in het eerste masterjaar over therapietrouw bij oefenprogramma’s voor lage rugklachten, en nu kreeg ik de kans veel van ze te leren over epidemiologisch onderzoek. De REALISE trial is opgezet in samenwerking met het LUMC, waar de derde promotor vandaan kwam, Wilco Peul. Samen met een team van research verpleegkundigen van het LUMC voerden we de RCT uit in tien ziekenhuizen in Noord- en Zuid-Holland. De neurochirurgen vroegen patiënten die in aanmerking kwamen voor een lumbale herniaoperatie om deel te nemen aan het REALISE onderzoek. Dat betekende heen en weer reizen tussen de VU, het LUMC en de tien ziekenhuizen, om contact te houden met vooral de neurochirurgen en poliklinieken maar ook de fysiotherapeuten en verpleegkundigen. De behandeling werd gegeven door fysio- en oefentherapeuten in de verzorgingsgebieden van de ziekenhuizen, en dat leidde tot een netwerk van uiteindelijk ruim 200 eerstelijns praktijken. Naast deze trial heb ik nog twee Cochrane reviews geschreven: een update van de review over revalideren na een lumbale herniaoperatie, en een over oefentherapie bij acute lage rugklachten. Ondertussen werd een artikel gepubliceerd gebaseerd op mijn FW afstudeeronderzoek. Vanwege mijn belangstelling voor therapietrouw heb ik nog twee onderzoeken opgezet over dit onderwerp. De bedoeling was een secundaire data-analyse te doen van een elders uitgevoerde trial. Helaas bleek de dataset niet compleet waardoor de geplande analyses niet mogelijk waren. Daarom werd dit project afgeblazen. Een tweede project ging wel door: een kwalitatieve studie op basis van individuele interviews onder deelnemers van de interventiegroep van de REALISE trial. Ik heb de deelnemers gevraagd naar hun ervaringen met de interventie. Daarbij ging het vooral over de belemmerende en bevorderende factoren ten aanzien van het thuis doen van oefeningen en volgen van adviezen over onder andere het geleidelijk uitbreiden van dagelijkse activiteiten.

Tijdens mijn promotieonderzoek heb ik de opleiding tot epidemioloog afgerond, dat betekent dat ik grotendeels de master epidemiologie (EpidM) van het VUmc heb gevolgd. Deze master was voor mij deels een herhaling van FW, en een aanvulling op de al bekende statistiek. Er was veel aandacht voor regressieanalyse en als keuzevakken volgde ik onder andere de cursussen multilevelanalyse en kosteneffectiviteitsanalyse. Als AIO heb ik ook presentaties gegeven op diverse buitenlandse congressen. Het International Forum on Back Pain Research in Primary Care, later omgedoopt tot het International Back & Neck Pain Forum, was hét congres voor mijn onderzoeksgebied. Tijdens de editie in Odense, Denemarken, had ik een poster over het design van de REALISE trial. In Campos do Jordão, Brazilië, presenteerde ik de review over revalideren na een herniaoperatie en op een Cochrane meeting aldaar de voortgang van de review over acute lage rugklachten. In Buxton, Engeland, een poster over diezelfde review en een presentatie over de resultaten van de REALISE trial en economische evaluatie.

Vervolgens werkte ik als post-doc bij het Coronel Instituut voor arbeid en gezondheid van het AMC, in Amsterdam. Ondertussen rondde ik mijn proefschrift af. Bij het Coronel Instituut voerde ik diverse reviews uit, allemaal over het lumbosacraal radiculair syndroom. Onder andere over de effectiviteit van interventies ten aanzien van werkparticipatie en prognostische factoren voor terugkeer naar werk. Na het afronden van de post-doc was het dan tijd voor de verdediging van mijn proefschrift en promotie. En behalve dat ik, als FW-er, op het podium stond, was daar ook Cindy Veenhof, hoogleraar Fysiotherapiewetenschap, aanwezig als een van de opponenten.

Een paar uur na de promotie vertrok ik naar Melbourne. Na 8 jaar was ik terug in de stad waar ik mijn afstudeerstage had gedaan! Daar presenteerde ik op een congres de kwalitatieve studie, de laatste studie van mijn promotietraject. Verder had ik overleggen bij het Australian Institute of Musculoskeletal Science en bij Monash University over mogelijkheden om samen te werken, en gaf ik een presentatie over het REALISE onderzoek voor fysiotherapeuten in het ziekenhuis van Austin Health. Ook bezocht ik een oud-collega van mijn afstudeerstage bij het Florey Institute of Neuroscience and Mental Health. Daar ontmoette ik ook Sharon Kramer, FW-er, en werkzaam als promovendus bij the Florey. Na thuiskomst ben ik begonnen met mijn nieuwe baan als literatuuronderzoeker bij de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde, waar ik werk aan de ontwikkeling van richtlijnen. Dat betekent dus wederom het uitvoeren van systematische reviews. De zoveelste, na die eerste review in masterjaar 1.

Proefschrift beschikbaar via dare.ubvu.vu.nl/handle/1871/54632

Peer-reviewed publicaties

  1. Rubinstein SM, van Eekelen R, Oosterhuis T, de Boer MR, Ostelo RW, van Tulder MW. The Risk of Bias and Sample Size of Trials of Spinal Manipulative Therapy for Low Back and Neck Pain: Analysis and Recommendations. J Manipulative Physiol Ther. 2014 Sep 3. pii: S0161-4754(14)00123-7
  2. Oosterhuis T, Costa LO, Maher CG, de Vet HC, van Tulder MW, Ostelo RW. Rehabilitation after lumbar disc surgery. Cochrane Database Syst Rev. 2014 Mar 14;3:CD003007
  3. Russell M, Hill K, Day L, Oosterhuis T, Blackberry I, Dharmage SC. Predictors of long-term function in older community-dwelling people who have presented to an emergency department after a fall: A cohort study. Australas J Ageing. 2014 Jan 2.
  4. Oosterhuis T, van Tulder M, Peul W, Bosmans J, Vleggeert-Lankamp C, Smakman L, Arts M, Ostelo R. Effectiveness and cost-effectiveness of rehabilitation after lumbar disc surgery (REALISE): design of a randomised controlled trial. BMC Musculoskelet Disord. 2013 Apr 5;14:124

Nederlandse publicaties

  1. Oosterhuis T. Revalidatie na een lumbale herniaoperatie. Oefentherapie pas na onvoldoende herstel. Fysiopraxis, 2016 Nov:34-35
  2. Oosterhuis T, Delnoij DMJ, Kortenhoeven PJ, Sibma TS, Geurts MAW, Jansen TLTA, Linssen A, Rademakers JJDJM. De CQ-index reumatische aandoeningen: hanteerbaar en geschikt voor visitatie? Nederlands Tijdschrift voor Reumatologie, 15(2011)2:38-44.

Conference proceedings

  1. Oosterhuis T, Westerman J, Suman A, Ostelo RW, van Tulder MW. Exercise regimens and physical activity after lumbar discectomy: Facilitators and barriers. J Sci Med Sport. 2017;20:e14
  2. Oosterhuis T, Costa LO, Maher CG, de Vet HC, van Tulder MW, Ostelo RW. Rehabilitation after lumbar disc surgery – an update Cochrane review. Physiotherapy. 2015;101 (Suppl 1):e1158-59

Overige publicaties

  1. Oosterhuis T, Smaardijk V, Kuijer P, Hoving J, Frings-Dresen M. Wetenschappelijke kenns en inzichten lumbosacraal radiculair syndroom. Amsterdam: Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, AMC; 2016
  2. Oosterhuis T, Triemstra M, Rademakers J. CQ-index Hartfalen: meetinstrumentontwikkeling. Ervaringen met de kwaliteit van zorg vanuit het perspectief van mensen met chronisch hartfalen. Utrecht: NIVEL; 2010.
  3. Booij JC, Sibma T, Oosterhuis T, van der Hoek LS, Rademakers J, Hendriks M, Delnoij D, van Lynden A. CQ-index hoortoestellen 2010: psychometrische eigenschappen en het discriminerend vermogen. Utrecht: NIVEL; 2011

Fysiotherapiewetenschapper promoveert in Australië

Door: Alexander TM van de Water  Column-Contest-2010

De opleiding Gezondheidswetenschappen met afstudeerrichting Fysiotherapiewetenschap gaf mij het inzicht in wat wetenschappelijk onderzoek binnen de Fysiotherapie inhoud, en bood (in)direct de mogelijkheid om een promotietraject te starten in het buitenland. Om precies te zijn: aan La Trobe University in Melbourne, Australia.

Tijdens de Master FW (2007-2009) had ik al ervaring op mogen doen met het opzetten en uitvoeren van fysiotherapeutisch onderzoek in het buitenland (University College Dublin, Ireland) en met het publiceren van mijn onderzoeksprojecten in internationale tijdschriften. Ik was toen al een mooie, buitenlandse uitdaging aangegaan, en kwam met zwaar Iers accent terug naar Nederland om mijn eindpresentatie te verzorgen. Weer in Nederland en praktiserende in de particuliere praktijk, bleef onderzoek doen en het buitenland mij prikkelen. Ongeveer een jaar later ging ik een volgende uitdaging aan, en begon ik in maart 2010 als student in Melbourne mijn PhD onder begeleiding van Prof. dr. Nicholas Taylor.

De mogelijkheid om een PhD te doen aan La Trobe University kwam doordat er een ‘scholarship’ systeem is in Australia (net als andere anglosaxische landen) – niet voor niets ‘the new Land of Opportunities’. Doordat ik zelf mijn (later) promotor had benaderd met een onderzoeksidee dat gerelateerd was aan één van zijn onderzoeksinteresses (orthopedische revalidatie), adviseerde hij mij een aanvraag in te dienen voor o.a. de LTU Postgraduate Research Scholarship. Een aantal maanden later kreeg ik positief bericht over mijn aanvraag en stond de weg naar een promotie in Australia voor mij open. Dat ik deze scholarship – als buitenlander – had ‘gewonnen’ (zoals ze daar zeggen) samen met een andere scholarship die de hoge collegegelden dekten, wijd ik aan het feit dat ik onderzoeks- en buitenlandervaring had opgedaan op goed niveau tijdens mijn Master FW en doorzettingsvermogen.

Mijn PhD begon met het idee richting te willen geven aan conservatieve en post-operatieve revalidatie voor mensen die hun proximale humerus hebben gebroken. Hier was – en is – te weinig klinisch relevante wetenschappelijke informatie over; vaak doen we wat gebaseerd op (klinisch) gevoel (en soms beginnen we de revalidatie al te forcerend). Na een eerste literatuur review (1) en klinisch onderzoek (2) naar een goed meetinstrument dat we zouden kunnen gebruiken voor de verdere klinische onderzoeken, kon ik eigenlijk niet verder: een goed meetinstrument voor mensen met schouderproblemen en specifiek voor mensen met schouderfractuur bestond niet. Na enige overpeinzingen en goed overleg met mijn zeer betrokken promotor (ik had het erg getroffen met Nick Taylor), hebben we besloten mijn PhD ‘om te gooien’ en een meetinstrument te ontwikkelen met behulp van Rasch analyse zodat we dat instrument wel zouden kunnen gebruiken: de Shoulder Function Index (SFInX) (3, 4, 5).

De SFInX is een ‘clinician-observed outcome measure’ van activiteiten, wat betekent dat wij als fysiotherapeut de patiënt vragen activiteiten uit te voeren en deze uitvoering beoordelen. Activiteiten zoals de lage rug wassen, een voorwerp op een plank leggen, het dragen van een tas worden gevraagd om uit te voeren. Een meting kan simpelweg in enkele minuten tijdens een behandelsessie. We hebben dit meetinstrument ontwikkeld op basis van bestaande meetinstrumenten, literatuur en inbreng van patiënten en professionals die betrokken zijn bij de revalidatie van deze patiënten (4). Na het klinisch testen van de activiteiten heb ik vele analyses voor psychometrische eigenschappen kunnen doen, inclusief Rasch analyse (4, 5). Dit is een vorm van analyse aan de hand van een probalistisch logistisch model voor categorische data, het ‘Rasch model’ (6). Met deze vorm van analyse krijg je veel meer informatie over het construct dat je beoogt te meten (ook op item- én persoonsniveau) in vergelijking met andere types van analyse. Je ziet bijvoorbeeld hoe moeilijk de activiteiten ten opzichte van elkaar zijn, en hoe personen zich verhouden ten opzichte van elkaar en van de activiteiten (6). Het is tevens de enige mogelijkheid om een werkelijk interval-niveau meetinstrument vanuit categorische data te ontwikkelen of te testen en aan te passen wanneer nodig (de meeste vragenlijsten waarbij we simpelweg punten optellen zijn dit dus niet!) (6). Uit de analyses bleek ook dat de SFInX een goed meetinstrument is om het functioneren met de aangedane arm van een persoon na een schouderfractuur in kaart te brengen (4, 5). Beter dan andere meetinstrumenten, die op betrouwbaarheid, structuur en construct validiteit en responsiviteit minder bleken te scoren (2, 4, 5).

Aan het einde van mijn PhD was ik dus eigenlijk waar ik wilde beginnen: richting geven aan conservatieve en post-operatieve revalidatie voor mensen die hun proximale humerus hebben gebroken. Vervolgprojecten in deze patiëntengroep zijn daarom ook gaande. Inmiddels wordt de Nederlandstalige SFInX-NL gevalideerd in samenwerking met Saxion Hogeschool en het Medisch Spectrum Twente in een algemene populatie van mensen met limiterende schouderklachten, waaronder mensen met een frozen shoulder, rotator cuff problematiek of tijdens post-operatieve revalidatie. Daarnaast wordt de SFInX in andere talen vertaald. Implementatie van nieuwe meetinstrumenten is vaak langdurig en niet gemakkelijk. Het gebruik van de SFInX in de dagelijkse praktijk en als meetinstrument in wetenschappelijke onderzoeken moet dan ook nog verder gestimuleerd worden. Zoals ik tijdens mijn PhD van collega’s al hoorde: “na de promotie is er altijd (veel) werk te doen”. Maar… het geeft ook prachtige mogelijkheden op vele gebieden binnen (en buiten) de Fysiotherapie.

Publicaties:

Thesis via http://hdl.handle.net/1959.9/531678

  1. van de Water AT, Shields N, Taylor NF. Outcome measures in the management of proximal humeral fractures: a systematic review of their use and psychometric properties. J Shoulder Elbow Surg. 2011;20(2):333-43. doi: 10.1016/j.jse.2010.10.028
  2. van de Water AT, Shields N, Davidson M, Evans M, Taylor NF. Reliability and validity of shoulder function outcome measures in people with a proximal humeral fracture. Disabil Rehabil. 2014;36(13):1072-9. doi: 10.3109/09638288.2013.829529.
  3. https://sfinx.blogs.latrobe.edu.au/
  4. van de Water AT, Davidson M, Shields N, Evans MC, Taylor NF. The Shoulder Function Index (SFInX): a clinician-observed outcome measure for people with a proximal humeral fracture. BMC Musculoskelet Disord. 2015;16:31. doi: 10.1186/s12891-015-0481-x
  5. van de Water AT, Davidson M, Shields N, Evans MC, Taylor NF. The Shoulder Function Index (SFInX): evaluation of its measurement properties in people recovering from a proximal humeral fracture. BMC Musculoskelet Disord. 2016;17:295. doi: 10.1186/s12891-016-1138-0
  6. voor meer informatie, zie bijvoorbeeld:
  • Wright BD. Fundamental measurement for outcome evaluation. Physical Medicine and Rehabilitation 1997;11: 261-288 (ook beschikbaar via rasch.org/memo66.htm)
  • Bond TG, Fox CM. Applying the Rasch Model – Fundamental Measurement in the Human Sciences 2007 (2nd edn). New York: Routledge.